Illustratie Thijs Tittse ' ik wil niet prediken.jpg
26/11/2014 - Admin

De droom van Leontine Broekhuizen

Leontine Broekhuizen ontvangt me met veel enthousiasme in haar krappe zonovergoten kantoor. Stapels scripties en lesmethoden sieren haar bureau. Leontine is een verzorgde, intelligente, druk bezette vrouw. Haar lippen zijn kundig gestift, haar vocabulaire is machtig groot. Ondanks dat Leontine net de vijftig is gepasseerd, straalt ze een jeugdige energie uit.

Leontine is docent vakdidactiek op Artez, heeft een flink aantal jaar voor de klas gestaan, was hoofdredacteur van de methode “ZienderOgen Kunst 4”, heeft net haar studie ‘Kunstbeleid en  Management” afgerond, heeft voor het Cito eindexamens geconstrueerd en is voorzitter geweest van de NVTO. Zij is dagelijks in gesprek met leerlingen, docenten, oud-docenten en beleidsmakers; de ideale persoon om de wisselwerking tussen de opleiding en het  werkveld te bespreken. Ik treed met haar in gesprek, om erachter te komen wat in de ogen van Leontine de ideale docent is en welke idealen zij de nieuwe generatie docenten meegeeft.

De ideale docent is volgens Leontine een docent die een verbinding aangaat met zijn leerlingen. Deze docent is in eerste instantie oprecht  geïnteresseerd in de doelgroep, heeft het ‘leuk’ met zijn leerlingen  en kent een grote belangstelling in het doen en laten van de leerlingen. Hij verstaat de taal van zijn leerlingen, wat niet wil zeggen dat hij net zo ‘spreekt’ als een leerling, maar hij heeft inzicht in de psyche van zijn leerlingen. Een ideale docent bouwt een band op met zijn klas, wint vertrouwen van zijn leerlingen. Om te spreken over competenties, een ideale docent zou interpersoonlijk erg hoge ogen moeten gooien. Voor Leontine is het boekje ‘De Geliefde leraar’ van Veronica Weusten, leidraad voor haar visie op de ideale docent in het algemeen. Maar dat is nog niet toereikend voor de ideale kunstdocent.

Maar hoe breng je deze visie over op de nieuwe generatie docenten, hoe kun je toetsen of een stagiair interpersoonlijk competent is? Interesse in leerlingen, het scheppen van een band, het hebben van plezier tijdens het lesgeven zijn zaken die volgens Leontine van nature in een docent zitten, deze competenties kun  aanwakkeren of stimuleren. Tijdens stagebezoeken kan Leontine ‘lezen’ of een stagiair  het interpersoonlijke contact met de leerlingen in zich heeft, zij ‘ziet’ of iemand met plezier met zijn doelgroep omgaat. Volgens Leontine, zijn haar vakken, beeldende voring en CKV, met name de vakken waar de interersoonlijke competentie sterk weegt. Een docent die veiligheid in zijn klas heeft gewonnen, kan opdrachten naar een hoger plan tillen en kan bijvoorbeeld de leerling zijn gevoelsleven laten verwerken in een opdracht.

Als ik Leontine vraag naar haar missie, zet zij haar ideaalbeeld van het kunstonderwijs tegen de praktijk, komt er een aarzeling in haar verhaal. Waar ze eerst stellig en vlot vertelde, lijkt ze nu haar woorden gewichtig te kiezen. Ze vertelt me dat ze niet wil prediken, dat ze anderen niet de les wil lezen. Ze is ervan overtuigd dat bepaalde manieren van lesgeven fout zijn, maar zij wil niet degene zijn, die met een strenge opgeheven vinger deze lesmethodes afstraft.

In het ideaalbeeld van Leontine stelt de kunstdocent de leerling centraal. Niet de docent bepaalt het eindresultaat van een opdracht, maar de leerling bepaalt zelf, eventueel na een beeldend onderzoek , de manier waarop hij een betekenis, een idee, een ervaring wil verbeelden. Een leerling maakt zelf keuzes, een leerling bepaalt zelf zijn materiaal; de leerling denkt zelf na en voert niet alleen uit. Op veel scholen waar Leontine komt, ziet zij, in haar ogen, te vaak eindresultaten van leerlingen die exacte kopieën van elkaar zijn, het zijn in het algemeen de resultaten van sterk docentgestuurde opdrachten. Creativiteit ontstaat niet door een kleurencirkel in te kleuren, of door een vogelhuisje in de stijl van Mondriaan te maken. Een leerling moet snappen wat hij doet en zou denkstappen moeten maken. Kunstdocenten hebben vaak het idee dat er basiskennis nodig is om er later (in de bovenbouw) op een meer creatieve manier mee om te kunnen gaan. Het is de vraag of dat zo werkt. Is het wel zo dat die kennis weer wordt teruggehaald en toegepast in een vrijere context? Vindt die transfer wel plaats? En wat is die basiskennis eigenlijk? Daarover verschillen de opvattingen nogal, het lijkt wat toevallig, afhankelijk van de opleiding van de docent en de traditie op de school. Leontine voelt zich aangetrokken tot het denkwerk van Folkert Haanstra op kunsteducatie, zijn artikelen over authentieke kunsteducatie zijn voor haar studenten verplichte kost.

Desondanks stuitte Leontine onlangs op een middelbare school in Brussel op prachtig leerlingenwerk, dat absoluut niet uit het brein van de leerling kwam, maar een hele adequate uitvoering was van een gesloten opdracht. De leraar die de opdracht gegeven had, wist van te voren precies wat zijn leerlingen zouden maken, op welk materiaal, en in welke kleuren.  Alle werken waren allemaal hetzelfde, en bezaten toch een zekere kwaliteit. Deze kwaliteit lag in de technische verfijndheid van de leerlingen; de leerlingen waren op de hoogte van de werking van het perspectief, schaduwwerking, en wisten kundig hun penselen te hanteren. Zou het procesmatig leren, het werken met een beelden onderzoek en het centraal stellen van de leerling, de technische kennis en ontwikkeling van de leerling teniet doen? Maar waar dient die kennis dan toe?

Een ideale docent zou, volgens Leontine, notie moeten hebben van het kunstenaarschap. Een kunstenaar maakt niet zijn hele leven lang exact hetzelfde en een kunstenaar weet aan het begin van een proces nog niet hoe het eindresultaat er uit komt te zien. Een leerling moet tijdens een opdracht eenzelfde proces meemaken als een kunstenaar, een gesloten opdracht, waar van te voren het eindresultaat al bepaald is, voldoet niet aan deze visie. Zelfs al is het resultaat van een gesloten opdracht zo verfijnd, en ‘mooi’,  het gaat voorbij aan het idee van wat kunst zou moeten en kunnen zijn. Je kunt je afvragen of de werkjes in Brussel, hoe mooi ze ook zijn, de leerlingen enige notie bijbrengen van kunst en het kunstzinnige proces.

De schoolse praktijk is weerbarstig, elke periode moeten er cijfers op tafel komen, er is een chronisch tekort aan uren en in de lokalen zijn lang niet de gewenste materialen en media beschikbaar. De ideale leraar laat zich hierdoor niet weerhouden, en verdrinkt niet in de institutionele belemmeringen. Deze leraar heeft een visie en houdt zijn vak bij, deze docent gaat naar musea en tentoonstellingen en deze docent stelt zijn leerlingen centraal. De ideale leraar verstaat zijn vak en kent het wezen van zijn vak, en weet het belang van zijn vak uit te dragen door zijn aanstekelijk enthousiasme voor kunst. De ideale leraar kent de importantie van zijn vak, opdat hij intellectueel verweer kan tonen, mocht er worden getornd aan zijn liefde; de leerling en de kunst.

Auteur: Thijs Tittse

Terug naar boven

Biografie

Naam

Klas

Over de

Website

klik hier

Gerelateerde artikelen - Educatie